Neurocultuur
Onlangs verschenen

Dan gaat het denken op handen en knieën gezeten
ons over de schouder aankijken.

Peter Verhelst

In het najaar van 2011 stelde Arnoud van Adrichem een dossier samen over linkse politiek en de laaglandse letteren (Parmentier 20-3). Uit de bijdragen aan dat dossier sprak de overtuiging dat literatuur een emancipatoire rol kan spelen bij de vorming van onze gemeenschappelijke leefwereld. Daarnaast rees de vraag hoe dat revolutionaire potentieel in deze tijd – waarin het neoliberale kapitalisme een schijnbaar totale greep op ons leven uitoefent – moet worden benut.

In het dossier van dit nummer verleggen Stephan Besser, Frank Keizer en Van Adrichem deze vraag naar een nieuw, maar minstens zo actueel domein: dat van ons brein. Op welke wijze kan of moet ons brein, dat nu meer en meer onderdeel van biopolitieke technologieën en voorwerp van industriële processen is geworden, het terrein van deze bevrijding worden? Welke rol spelen neurowetenschappelijke visies op brein, mens en maatschappij in deze processen? En hoe reageren literaire teksten op de wetenschappelijke en populaire hersenvertogen in de hedendaagse neurocultuur? Als het brein zo’n bepalende invloed op ons doen en laten heeft, in hoeverre kunnen we dan nog geloven in de vrijheid van het spel en de emancipatoire mogelijkheden die de kunst ons belooft? Die vragen staan centraal in dit dossier.

Literatuur is, dankzij haar vermogen om verschillende discoursen met elkaar te confronteren, het terrein bij uitstek waarop de mogelijkheden en grenzen van deze nieuwe neurocultuur kunnen worden onderzocht, getest en vergroot. Parmentier blijft vertrouwen op de gedachte dat literatuur een kritische rol te vervullen heeft in de wereld, maar onderzoekt in dit dossier tegelijkertijd op welke wijze de neurologie ons mensbeeld en de literatuur dwingt te herzien, en wat daar de ideologische implicaties van zijn.
Het dossier bevat bijdragen van Stephan Besser, Toine Horvers, Frank Keizer, Jan Lauwereyns, Flora Lysen, Patricia Pisters, Jan Slaby, Han van der Vegt en Leo Vroman.

Verder bevat dit nummer een essay van Lucas Hüsgen over de esthetische foto’s van de Amerikaanse glamourfotograaf en milieuactivist J Henry Fair, die niettemin een ethisch onderwerp verbeelden: de destructie van onze leefomgeving. Volgens Fair zijn we allemaal medeplichtig: elke cent die we uitgeven vormt een onmiddellijke bedreiging voor de natuur, een besef dat in de roes van het turboconsumentisme amper beklijft. Fair gelooft echter dat het wel degelijk mogelijk is om mensen bewust te maken van de schadelijke consequenties van hun bestedingspatroon. Dat doet hij niet door met de zoveelste documentatie van afval te komen; hij kiest ervoor de industriële littekens zo mooi mogelijk in beeld te brengen.

De gedichten van Nick J. Swarth daarentegen willen de wereld niet mooier maken dan die is. In een rauwe en directe (maar daarom niet minder dubbelzinnige) taal schetst hij ronduit angstaanjagende taferelen, waarin onder meer babyslachters, een soksoldaat, een zwarte rat, een pitbull en gieren figureren.
Jeroen Dera besluit dit nummer met een uitgebreide analyse van Tonnus Oosterhoffs jongste dichtbundel Leegte lacht (2011), een boek dat de inzet vormde van een debat over de stand van zaken van de poëziekritiek. In de kritiek lijkt een oppositie te zijn ontstaan tussen een autonome, strikt literaire lectuur van Oosterhoffs werk en een meer politiek geëngageerde lezing van zijn poëzie. In zijn bijdrage laat Dera zien dat Oosterhoff zich voortdurend tussen die beide uitersten beweegt, waardoor de dichter aan elke categorisering lijkt te ontsnappen.
Zo biedt ook deze Parmentier het nodige hersenvoedsel, maar wordt tegelijkertijd het hart, waarop goede literatuur ook mikt, niet ontzien.

Tot slot nog een huishoudelijke mededeling: met ingang van dit nummer neemt Leon Gommers afscheid als redactiesecretaris van Parmentier. Wij bedanken hem voor zijn inzet.

Arnoud van Adrichem, Stephan Besser en Frank Keizer In gesprek met Dick Swaab
Bekijk