Onlangs verschenen
Maar zie, dan blijkt dat die fictieve werkelijkheid hoe langer hoe meer op de
reële, ja zelfs op de ultieme werkelijkheid gaat lijken... tot je je gaat afvragen:
is er wel een andere?
Sybren Polet
Eerder dit jaar bracht Arnoud van Adrichem een nummer vol vertaalde poëzie
van experimentele dichters. Deze keer richt hij zich vooral op hedendaags
experimenteel proza uit het buitenland. Hij nodigde vijf vertalers uit om een
tekst naar keuze te vertalen en die van een korte inleiding te (laten) voorzien.
De reis begint bij Duitsland en Oostenrijk. Lucas Hu_sgen vertaalde teksten
van respectievelijk Franz Hessel (1880-1941), Andreas Neumeister (1959)
en Thomas Stangl (1966). Zij treden op als gids in drie verschillende plaatsen
die niet direct geografisch te lokaliseren zijn, maar zich vooral lijken uit te
strekken in de verbeelding. Hun proza roept een klassieke maar nog steeds
pregnante vraag op: hoe verhoudt de ‘echte’ (of echtere) wereld zich tot die van
de fictie en welke rol speelt het medium van de taal daarbij?
Daarna reizen we verder naar Roemenië. Jan H. Mysjkin vertaalde een
fragment uit een prozagedicht van Cristian Popescu (1959-1995). In zijn
korte, door schizofrenie getekende leven publiceerde hij slechts drie boeken,
die niettemin een aardverschuiving in de Roemeense literaire traditie teweegbrachten
en volgens critici tot op de dag van vandaag als invloedrijk gelden.
Het experimentele karakter van dit werk schuilt niet zozeer in de woordvorming
of syntaxis als wel in de scheefgetrokken logica, waardoor zijn teksten in
de richting van de groteske gaan.
Ongeveer hetzelfde kan worden gezegd over de romans van literaire duizendpoot
Stelian Tănase (1952). Jan Willem Bos vertaalde fragmenten uit recent
werk. Ook bij Tănase zit het experimentele niet direct in de vorm of stijl, maar
eerder in de manier waarop hij fictionele representaties werkelijkheid laat worden.
De natuurwetten van de buitenwereld (de realiteit zoals wij die dagelijks
ervaren) maken bij hem plaats voor de logica van de binnenwereld, waarin tijdruimtelijke
grenzen nauwelijks meer een rol blijken te spelen. Zo kan het
gebeuren dat een jaar nu eens zesendertig maanden telt en dan weer drie. En dat
literaire personages en historische figuren elkaar zomaar tegen het lijf lopen.
Katelijne De Vuyst nam de vertaling van enkele fragmenten uit het wel zeer
eigenzinnige boek
Temps mort (2010) van Jean-Christophe Cambier (1956)
op zich. De Fransman staat bekend als een ‘moeilijke’ en tegendraadse auteur
die een marginale positie in de literatuur inneemt, zoals Jan Baetens in zijn
inleiding stelt. Voor avontuurlijk ingestelde lezers valt er evenwel veel moois te
ontdekken in dit radicale narratieve proza, dat hier voor het eerst in vertaling
verschijnt.
Onze reis eindigt in Amerika. Han van der Vegt vertaalde een hoofdstuk uit
The Tunnel (1995), het magnum opus van William H. Gass (1924), dat criticus
Robert Kelly treffend omschreef als ‘een woest makend, afstotelijk meesterwerk’.
In dit hoofdstuk overweegt de verteller van de roman, professor William
Frederick Kohler, een Partij van Teleurgestelde Mensen op te richten, een
partij die veel overeenkomsten vertoont met de Partij voor de Vrijheid, waarvan
het electoraat eveneens goeddeels wordt gevormd door malcontenten en
‘bevooroordeelden’.
Verder bevat dit nummer poëzie van Jan Baeke, Alessandro De Francesco
(vertaald door Oei Swan Ien en Vincent W.J. van Gerven Oei), Frans Kuipers
en Christophe Tarkos (vertaald door Kiki Coumans), en een recensie van het
Nagelaten werk (2011) van Jeroen Mettes door Gaston Franssen. We besluiten
met een duogedicht van Peter van Lier en Arnoud van Adrichem dat werd
geïllustreerd door Machteld van Buren en B.C. Epker. Gevieren gaan zij op
zoek naar een mysterieus personage dat aan taal en beeld lijkt te ontsnappen.
Het beeld op het omslag en de beelden in het nummer zijn van de hand van
Toon Delanote. Hij maakte een reeks van vijf ‘bedenkingen’ waarbinnen zijn
beelden naar eigen zeggen ‘het reflectief moment’ tonen. Ze bieden een raam
op de fictieve werkelijkheid, die hoe langer hoe meer op de reële gaat lijken,
zoals Sybren Polet suggereert in
De andere stad (1994).
Tot slot nog een huishoudelijke mededeling: met ingang van dit nummer
treedt Vincent Schmitz toe tot de redactie. Hij zal de eindredactie voor zijn
rekening nemen. De redactie heet hem van harte welkom.